Logo Stichting Genealogie Jacobus Lampe (1691) uit Mettingen
www.familie-lampe.nl

Stichting Genealogie Jacobus Lampe (1691) uit Mettingen

04 De geschiedenis van de Tüötten

(door: F. Tombrink, Mettingen, vertaald door Libertine Lampe VIII.98)

 

Zo’n 300 jaar geleden zag Mettingen er heel anders uit dan tegenwoordig. Een groot deel van het gebied bestond nog uit bos, heide- en moeras. Er waren maar weinig vruchtbare akkers, toentertijd zeer geschikt voor de teelt van vlas als grondstof voor linnen. Mettingen en omgeving had in die tijd nog geen steenkolenmijnen, geen fabrieken en slechts weinig handwerkslieden. Daarom trokken Mettinger mannen naar het 60 kilometer verderop gelegen Holland. In de zomermaanden werkten zij daar als grasmaaier, turfsteker en als handarbeider. De andere gezinsleden bleven in Mettingen en vooral de vrouwen bewerkten het land.

 

Eeuwenlang werd op de boerenhoven voor eigen gebruik uit vlas linnen geweven en mettertijd werd de kwaliteit van dit linnen steeds beter. Daarom was het ook niet vreemd, dat deze linnen producten in Holland al gauw bekendheid kregen en in steeds grotere hoeveelheden werden gekocht. In de loop van de tijd ontwikkelde zich een drukke handel, waardoor veel Mettinger gezinnen zich met de handel in linnen en ander textiel konden bezighouden. De groep rondtrekkende Mettinger kooplieden nam toe. In de bloeitijd van de marskramers werkte het merendeel van de mannelijke bevolking in het buitenland als linnen­koopman, dat Mettingen tot een wel­varende stad maakte.

 

De Mettinger koop­lieden trokken naar Holland, Friesland, België, Noord-Duitsland, Meckelen­burg, Brandenburg, West- en Oost Pruis­sen en Thüringen. De rondtrekkende handelaars werden naar het doel van hun tocht genoemd. Zo heetten de westwaarts trekkende mannen de “Hollandgänger” en de naar het oosten trekkende lieden “Oberreicher”.

 

Straten en wegen zoals wij ze nu kennen waren er toen niet. Men trok over de in alle gebieden  aanwezige oeroude onverharde wegen, die tot op heden als “Tüöttenwegen” bekend staan. Een goed voorbeeld is de “Tüöttenweg” van Mettingen via Bockrade, Steinbeck, Hopsten, Rheine en Oldenzaal via Deventer tot aan Amsterdam.

 

Tüöttenweg
Tüöttenweg

 

Terwijl de eerste kooplieden uit Mettingen in de zomermaanden naar Holland trokken, waren de Tüötten het hele jaar onderweg. Bij weer en wind, bij regen en sneeuw trokken ze met de bundels linnen op hun rug door het land. Zo’n bepakking woog al gauw 30 tot 40 kilo en de Tüötten noemden het in hun geheimtaal de “Rippert”.

 

Door uitbreiding van de handel werd het noodzakelijk dat de Tüötten binnen hun handelsgebied magazijnen oprichtten, ook wel depots genoemd. Daarmee werd het mogelijk de linnen­goederen per huifkar te distribueren. De Tüötten sloten voor dit doel een handelsgemeenschap, waardoor de transportkosten laag konden blijven.

 

Ver van huis waren de marskramers aan veel gevaren blootgesteld: ziekten, roofovervallen en afgunst van ingezeten kooplui dreigden. Ook moesten de Tüötten de tolgrenzen vermijden die graven of vorsten hadden ingesteld.

 

In het buitenland waren de Tüötten in het bijzonder door de kwaliteit van hun waren en om hun eerlijkheid bekend. Daardoor werden de Mettinger koopmannen niet alleen als handelaar, maar ze werden in een tijd zonder kranten, radio en televisie ook als de ideale boodschappers gezien.

 

 

 

De beeldengroep in Mettingen
De beeldengroep in Mettingen

 

 

Een bijzondere eigenschap van de Tüötten was hun onderlinge hechte band in den vreemde. In tijden van nood en gevaar stonden zij elkaar bij. Veel families werden door het huwelijk van hun kinderen sterker met elkaar verbonden. De vrouwen van de Tüötten hadden het op het thuisfront erg druk: zij deden het huishouden, bewerkten het land, hielden zich bezig met de opvoeding van hun kinderen en weefden het linnen. Dit alles zonder hulp van hun mannen.

 

Er waren families, van wie de oudere zonen samen met hun vaders als textielhandelaar in den vreemde werkten. Tegenwoordig treft men in veel Nederlandse steden nog Mettinger namen aan.

 

Met de komst van de katoen ging de linnenproductie in het Tecklenburgerland aan het einde van de 19e eeuw snel achteruit. Veel Tüötten stopten hun marskramerhandel en begonnen een winkel in textielwaren in Holland en Friesland. De oudere kooplui droegen hun zaak over aan hun kinderen en brachten hun oude dag op hun grondstuk in Mettingen door.

 

Veel mooie Tüöttenhuizen getuigen ook vandaag nog van de tijd dat de mannen uit Mettingen naar den vreemde trokken, om in de linnenhandel te werken. Die huizen laten echter ook zien hoeveel ze van hun thuisland hielden en daardoor altijd nauw met Mettingen verbonden bleven.